Keuzebegeleiding: hoe dan?

Hoe meer keuzebegeleiding deelnemers ontvingen, hoe beter ze begrepen wat de pensioenkeuze betekent voor hun toekomstige situatie.
Jack Borremans
Keuzebegeleiding: hoe dan?
De kogel is door de kerk. Althans, een belangrijke horde is genomen nu de Tweede Kamer eind december 2022 heeft ingestemd met de Wet toekomst pensioenen (Wtp). Maar in het politieke geweld van de transitie van 1500 miljard euro vermogen naar individuele pensioenpotjes was er amper aandacht voor een relevant onderwerp voor de individuele deelnemer: de open norm keuzebegeleiding in het nieuwe art. 48a Pensioenwet.

In dit artikel gaan we in op de resultaten van een veldonderzoek dat Söderberg & Partners, Montae & Partners en kennisinstituut BISS van de Universiteit Maastricht eind vorig jaar samen hebben uitgevoerd¹. Dit veldonderzoek is fase 2 van een langer lopend onderzoek. In een eerdere fase is onderzoek gedaan naar hoe pensioenuitvoerders de norm kunnen en willen invullen. Hier is in een eerdere bijdrage in Pensioen Magazine aandacht aan besteed². In het veldonderzoek hebben we onderzoek gedaan naar het keuzeproces rondom pensioendatum. Het moment waarop deelnemers uiteindelijk onomkeerbare keuzes maken met hun opgebouwde aanspraken op pensioen. Zowel in de tweede als in de derde pijler. In dit artikel staan we stil bij de resultaten van het veldonderzoek.

De ontstaansgeschiedenis van het 'Tetris-pensioen'

Dat deelnemers aan pensioenregelingen van oudsher keuzes hebben is niet nieuw. Maar het belang van het tijdig toepassen van deze keuzes lijkt de laatste jaren toe te nemen in de adviespraktijk. Sinds de invoering van de Wet Fiscale behandeling van pensioenen in 1999 zijn keuzes expliciet beschreven in de Wet op de loonbelasting 1964. Met de vele aanpassingen in het fiscale kader van de pensioenopbouw in zowel de tweede als de derde pijler ontbreekt voor veel deelnemers inmiddels het overzicht. Denk bijvoorbeeld aan de afschaffing van Vut en prepensioen in 2006³, de introductie van het levensverwachtingsaanpassingsmechanisme per 2013 met oplopende pensioen- en AOW-leeftijden afhankelijk van de stijging van de levensverwachting⁴, de verlaging van het ambitieniveau in pensioenopbouw in 2015⁵, en de temporisering van het levensverwachtingaanpassingsmechanisme in 2020⁶. Tel daarbij op dat premieregelingen in de afgelopen jaren, zeker in de rechtstreeks verzekerde markt, een exponentiële groei hebben doorgemaakt. Daardoor is het uitzicht op nominaal gegarandeerde pensioenen ingeruild voor een onzekerdere pensioenaanspraak, opgebouwd langs tientallen verschillende premiestaffels in het fiscale staffelkwartet. De premieregeling, met een vlakke premie, wordt straks de norm na invoering van de Wtp.

Minou van der Werf keuzebegeleiding
Dr. M. van der Werf is als senior onderzoeker verbonden aan het Brightlands Institute for Smart Society van Maastricht University.

Het Tetris-pensioen in de onderzochte groepen

In de deelnemerspopulatie van ons veldonderzoek zagen we het Tetris-pensioen effect al terug, ondanks dat het een relatief oude groep was. Nominale (DB) aanspraken waren veruit in de meerderheid uiteraard, waarbij 84% 1 of 2 aanspraken had, en de rest nul of juist maximaal 4. 26% van de deelnemers had tenminste 1 aanspraak op een kapitaal uit een premieregeling (DC), met één uitschieter naar 5. Gemiddeld had 1 op de 4 deelnemers een lijfrenteverzekering of -rekening afgesloten in het verleden.

Adviesverplichting bij Life Cycle keuzes in flexibele premieregelingen

De Pensioenwet geeft deelnemers aan premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid al sinds 2007 de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid van de beleggingen in de opbouwfase van het pensioen over te nemen⁷. Pensioenuitvoerders met dit type pensioenregelingen hebben al kunnen ervaren wat de daarmee samenhangende adviesverplichting met zich meebrengt. Deze beleggingsvrijheid werd in september 2016⁸ doorgetrokken naar de uitkeringsfase. Sinds dat moment hoeven deelnemers op het pensioeningangsmoment niet te kiezen voor een gegarandeerde (vaste) uitkering maar kunnen ze ook opteren voor een variabele uitkering⁹. Dat pensioenuitvoerders op dat moment ‘slechts’ een informatieverplichting hebben maakt het voor deelnemers niet eenvoudiger om te kiezen.

Parallel aan de Wtp loopt het wetsvoorstel¹⁰ dat het mogelijk moet maken om op pensioeningangsdatum 10% van het opgebouwde pensioen in tweede en derde pijler af te kopen. Het is de regering niet gelukt om de invoering van deze wet tijdig door het parlement te loodsen. De inwerkingtredingsdatum staat nu gepland op 1 januari 2024.

De noodzaak van adequate keuzebegeleiding

Alle genoemde ontwikkelingen rechtvaardigen het beeld dat bijna gepensioneerden een complex spelletje Tetris moeten spelen om inzicht te krijgen in de uitkeringssnelheid van hun kasstromen voor hun oude dag. De nieuwe norm keuzebegeleiding komt zeker niet te vroeg. De vraag is hoe hoog de pensioenuitvoerders hun eigen lat leggen in de invulling van die norm. De Autoriteit Financiële Markten geeft hen alle ruimte¹¹.

Bijna gepensioneerden kunnen straks kiezen uit 10 flexibiliseringsmogelijkheden. En in de flexibele premieregeling zelfs 11. Daarnaast bieden bijvoorbeeld generatiepactregelingen ook extra keuzes vanaf 10 jaar voor pensioendatum. Keuzes die ook doorwerken naar de periode na stoppen met werken.

De nieuwe norm keuzebegeleiding komt zeker niet te vroeg.

Wettelijke pensioenkeuzes

  1. Uitruil partnerpensioen in hoger ouderdomspensioen (60 PW)
  2. Uitruil partnerpensioen in eerder ingaand ouderdomspensioen (60 PW)
  3. Uitruil partnerpensioen in zowel hoger als eerder ingaand ouderdomspensioen (60 PW)
  4. Uitruil ouderdomspensioen in een hoger partnerpensioen (61(a) PW)
  5. Nieuw: Bedrag ineens (69a PW '24)
  6. Variabele of vaste uitkering (63a PW)

Pensioenkeuzes op basis van het pensioenreglement

  1. (gedeeltelijk) uitstel van ouderdomspensioen (62 PW)
  2. (gedeeltelijk) vervroegen van ouderdomspensioen (62 PW)
  3. Uitruilen van ouderdomspensioen in andere pensioenvormen (62 PW)
  4. Hoog-laag’: variëren van de hoogte van het ouderdomspensioen (63 PW)
  5. ‘Laag-hoog’: variëren van de hoogte van het ouderdomspensioen (63 PW)

De opzet van het veldonderzoek

Kortom: genoeg keuzes dus. Maar hoe kunnen we de deelnemer dan het beste begeleiden bij het maken bij die keuzes? Die vraag stond centraal bij ons veldonderzoek. In november 2022 hebben we daarvoor 246 deelnemers uitgenodigd om zich in te schrijven voor een online sessie. Dit waren deelnemers die binnen 5 jaar hun pensioengerechtigde leeftijd zouden bereiken, verdeeld over 5 ondernemings- en bedrijfstakpensioenfondsen. Zij zijn willekeurig geselecteerd uit een groep van in totaal 306 geïnteresseerden. Daarbij hebben we gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging vanuit de 5 fondsen. De animo was groot; blijkbaar leeft het onderwerp onder de doelgroep.

De 246 deelnemers zijn voorafgaand aan het onderzoek willekeurig verdeeld over drie groepen. Groepen met een toenemende mate van keuzebegeleiding:

1. Zelfstandig.

Deze groep kreeg toegang tot de pensioenkeuzemodule zonder enige vorm van begeleiding, behalve de standaard aanwezige hulpschermen waar men achtergrondinformatie op B1 taalniveau kan vinden.

2. Groepssessie.

Deze groep kreeg zowel toegang tot de pensioenkeuzemodule als toegang tot een online groepssessie met maximaal 10 personen. In die groepssessie ging men weliswaar zelfstandig aan de slag, maar kreeg men in een sessie van 60 minuten de mogelijkheid om aan twee keuzebegeleiders functionele vragen over het gebruik van de tool te stellen. Men kon volstrekt anoniem deelnemen. Ook was er een mogelijkheid om in een aparte ‘spreekkamer’ het eigen scherm te delen om een vraag beter te kunnen beantwoorden. Op inhoudelijke financiële vragen werd geen antwoord gegeven.

3. 1-op-1 sessie.

Deze groep ging samen met een financieel keuzebegeleider aan de slag met de pensioenkeuzemodule in een sessie van 60 minuten. De financieel keuzebegeleider leidde de deelnemer door de vragen in de tool heen, gaf toelichting en beantwoordde (financiële) vragen. De keuzebegeleiders gaven echter geen advies.

De opzet was om voor iedere groep maximaal 50 deelnemers te hebben die het veldonderzoek zouden doorlopen. Na afloop van de online sessie kregen de deelnemers een uitnodiging om, online, een vragenlijst in te vullen. Voor het onderzoek hebben we alleen de uitkomsten gebruikt van degenen die zowel de hele pensioenkeuzemodule hadden doorlopen als de hele vragenlijst hadden ingevuld. Uiteindelijk hebben we de data van 98 deelnemers kunnen gebruiken voor het onderzoek, waarvan 37 deelnemers in groep 1 zaten, 26 in groep 2 en 35 in groep 3.

Enkele karakteristieken van de deelnemers

De financiële situatie van de deelnemers is bovengemiddeld. Bij de deelnemers bedroeg het gemiddelde inkomen €69.500 per jaar, tegen €45.400 voor de gemiddelde Nederlander. Het gemiddelde in uitzicht gestelde aanvullende pensioen in Nederland voor de doelgroep 55+ bedraagt € 12.900 per jaar. In dit onderzoek hadden de deelnemers een gemiddeld pensioen van ruim €38.000. Gemiddeld genomen is in Nederland de AOW dus ongeveer 50% van het totale pensioeninkomen. In deze onderzoeksgroep bedraagt het AOW-deel slechts 25%. 65% van de deelnemers was 63 jaar of ouder. Ruim 65% had een partner en 91% had een koopwoning.

De vormgeving van de pensioenkeuzemodule Het doel van het onderzoek was om te meten in hoeverre verschillende vormen van keuzebegeleiding invloed hebben op zowel de uitkomsten van het keuzeproces als het vertrouwen in en het begrip over de gemaakte keuze en hoe waardevol ze de online sessie vonden. Om het onderzoek behapbaar en begrijpelijk te houden, hebben we een vereenvoudigde versie van de pensioenkeuzemodule van het keuzebegeleidingsplatform van Söderberg & Partners gebruikt. Hierin werden slechts vier pensioenkeuzes aan de deelnemers voorgelegd, in plaats van alle mogelijke keuzes. Deelnemers werden voor het onderzoek geïnformeerd over het feit dat in dit onderzoek slechts een beperkt aantal pensioenkeuzes werden meegenomen, en dat de uitkomst daarom geen advies is.

De vier pensioenkeuzes waaruit deelnemers konden kiezen waren:

  1. Een gelijkblijvend uitkeringspatroon (vast)
  2. 5 jaar een hogere uitkering, en daarna een lagere uitkering (hoog-laag)
  3. 5 jaar een lagere uitkering, en daarna een hogere uitkering (laag-hoog)
  4. Een eenmalig bedrag van 10% met een lagere vaste uitkering (lumpsum)

We vonden het belangrijk om in ieder geval het eenmalige bedrag als optie mee te nemen, aangezien dit de meest recente uitbreiding is van het wettelijke keuzerecht. Dit recht heeft in sommige gevallen significante gevolgen voor de marginale belastingdruk in het jaar van opname en voor het recht op toeslagen. Daarnaast heeft het uiteraard impact op het netto besteedbaar inkomen in de daaropvolgende jaren. Bij de totstandkoming van de Wet bedrag ineens heeft de regering geen verplichting opgelegd aan uitvoerders om de impact van de gevolgen op belastingen of toeslagen op individueel niveau voor te rekenen. Een algemene verwijzing naar rekentools op overheidswebsites acht de regering voldoende. Deze impact kan naar onze mening alleen maar goed worden voorgerekend als de deelnemer een integraal inzicht heeft in alle inkomens- en vermogenscomponenten die van belang zijn bij de vaststelling van de mate van impact.

Hoe meer keuzebegeleiding deelnemers ontvingen, hoe beter ze begrepen wat de pensioenkeuze betekent voor hun toekomstige situatie.

Aangezien een eenmalig bedrag niet samen kan lopen met een variabiliseringskeuze ‘hoog-laag’ of ‘laag-hoog’ hebben we deze keuzes – naast de vaste uitkering – in de tool aangeboden.

Voordat deelnemers de pensioenkeuze maakten, moesten de deelnemers een inventarisatiemodule doorlopen waarin alle inkomens- en vermogensbestanddelen door middel van een synchronisatie met enkele overheidsbronnen werden toegevoegd¹². De opgehaalde inkomens- en vermogensdata leidde tot relatief weinig aanpassingen. 1 op de 5 deelnemers pasten die informatie niet meer aan. Gemiddeld werden er minder dan drie aanpassingen in de persoonlijke inkomens- en vermogensbalans doorgevoerd. Iets minder dan 20% van de deelnemers pasten tijdens het beoordelen van de benchmark ‘uitgaven’ hun uitgavenpatroon aan¹³. De meeste aanpassingen waren er in groep 3 waarin de keuzebegeleider logischerwijs enkele checks bij de deelnemer deed bij het doorlopen van de inventarisatiemodule.

Bewuste keuze voor een voorkeur

Na deze inventarisatie van de financiële situatie kregen deelnemers een keuzebegeleidingsscherm aangeboden (zie figuur 1).

Deelnemers maakten in alle groepen een zelfstandige keuze voor de wijze van uitbetaling. Ook in groep 3 werd geen advies gegeven over welke optie het best zou passen bij de financiële situatie van de deelnemer. Het is van belang dat deelnemers een bewuste keuze maken. Ook als ze ervoor opteren om geen variabilisering toe te passen. Na het aanklikken van een pensioenkeuze, kregen deelnemers de impact op het netto besteedbaar inkomen van de gekozen variant, inclusief een mogelijk gevolg voor de toeslagen in de komende jaren, te zien in een grafiek. In die visualisatie toonden we alle uitkeringen, herrekend op de AOW-gerechtigde leeftijd van de deelnemer. De deelnemer kon dit netto besteedbaar scenario zelf vergelijken met het scenario van ‘niets doen’. In dat scenario toonden we het netto besteedbaar effect als alle verschillende pensioenpotjes op de geadministreerde richtleeftijd tot uitkering komen. Meerdere pensioenkeuzes konden bekeken worden en ook met elkaar worden vergeleken.

Hoewel het comfort en vertrouwen in de gemaakte pensioenkeuzes in alle geteste groepen hoog was, bleek dat de 1-op-1 gesprekken het hoogst worden gewaardeerd.

Figuur 2 geeft een schermvisualisatie na de keuze voor een van de vier opties. In dit geval nadat een keuze voor een eenmalig bedrag van 10% is gekozen. De bruto afkoopwaarde wordt getoond en het netto bedrag wordt toegevoegd aan het netto bezit. Ook het nieuwe toeslagbedrag (optelsom van huur- en zorgtoeslag) per maand staat getoond, berekend als een gemiddelde over de komende 5 jaar.

Meer dan 50% van de deelnemers heeft slechts één pensioenkeuze bekeken. Gemiddeld werden 2,3 keuzes bekeken. De mediane tijdsduur voor het doorlopen van een sessie was 36 minuten. Nadat de keuze was gemaakt en beoordeeld, kreeg men een sessierapport waarin nogmaals de keuze is toegelicht en de geïnventariseerde financiële data wordt gerubriceerd.

De deelnemers in groep 3 hebben de meeste interactie met de pensioenkeuzemodule. Dat hebben we gemeten door te kijken naar het aantal pensioenkeuzes en het aantal aanpassingen, zoals aanpassingen in het uitgavenpatroon. Dit is verklaarbaar door de aanwezigheid van een financieel keuzebegeleider die checkvragen stelde bij een aantal (tussen-)resultaten. Ondanks het feit dat in conditie 1 de minste begeleiding plaatsvond, vindt hier niet altijd de minste interactie plaats. Het aantal pensioenkeuzes dat werd bekeken, is in groep 2 bijvoorbeeld lager dan in groep 1.

Figuur 1: keuzescherm voor bewuste pensioenkeuze
Figuur 2: scherm na keuze eenmalig bedrag

Begrip, comfort en vertrouwen bij de keuze

Er is een significant verschil tussen de verschillende groepen als het gaat om het begrip van de keuze: Hoe meer keuzebegeleiding deelnemers ontvingen, hoe beter ze begrepen wat de pensioenkeuze betekent voor hun toekomstige situatie. Hoewel in alle groepen het begrip hoog was, was er in groep 3 niemand die niét begreep wat de gemaakte pensioenkeuze voor hun toekomstige financiële situatie betekent, tegen 10% in groep 1.

Het vertrouwen in de gemaakte keuze is hoog, en wijkt niet veel af tussen de groepen. In de vragenlijst is zowel decision comfort (hoe comfortabel voelt de deelnemer zich bij de keuze) als decision confidence (hoe zeker voelt de deelnemer zich bij de keuze) gemeten. Ruim 70% voelde zich comfortabel over de keuze na het doorlopen van de pensioenkeuzemodule. 42% gaf aan zeker te weten dat de keuze die is gemaakt, de beste is die men kon maken. 17% gaf aan niet zeker te weten dat de keuze de beste was die men kon maken.

Persoonlijke begeleiding wordt het hoogst gewaardeerd

Hoewel het comfort en vertrouwen in de gemaakte pensioenkeuzes in alle geteste groepen hoog was, bleek dat de 1-op-1 gesprekken (groep 3) het hoogst worden gewaardeerd. Ruim 90% was van mening dat de online sessie met een financieel keuzebegeleider waardevol was, in vergelijking met een kwart in groep 1 en de helft in groep 2. Hoe meer persoonlijk contact, hoe meer waarde aan de online sessie werd gegeven. 2/3 van de deelnemers in groep 3 was tevens van mening dat de sessie heeft geholpen in het maken van de pensioenkeuze en driekwart was van mening dat de sessie nieuwe inzichten had opgeleverd. Voor groep 1 gold respectievelijk 16% en 10%.

Andere inschatting van de deskundigheid rondom pensioenen

Opvallend was overigens dat deelnemers die in groep 3 zaten, aangeven zich het minst deskundig te voelen op het gebied van pensioenen. Ook vonden ze dat ze voorafgaand aan het onderzoek het minst op de hoogte waren van de keuzes die ze op pensioendatum konden maken. Het gaat hier niet om kleine verschillen. In groep 1 zegt 76% dat ze voorafgaand aan het onderzoek op de hoogte waren van de keuzes die ze konden maken, tegen 40% in groep 3. Deelnemers zijn voor het onderzoek willekeurig ingedeeld in de drie groepen, waardoor het niet aannemelijk is dat deze verschillen tussen de groepen voor het onderzoek al aanwezig waren. Het is waarschijnlijker dat dit komt doordat deelnemers die meer begeleiding hebben ontvangen achteraf beter kunnen inschatten wat ze niet weten, doordat ze zien welke informatie de keuzebegeleiders konden toevoegen in de online sessie. Zij maken hierdoor wellicht een realistischere inschatting van hun kennis.

Ten slotte is de deelnemers gevraagd hoeveel ze minimaal en maximaal bereid waren te betalen voor de wijze waarop ze de keuzebegeleiding hebben ondergaan. De antwoorden hierop lopen enorm uiteen. Een kwart geeft aan niks te willen betalen. 23% is bereid meer dan €100 te betalen. De gemiddelde bijdrage lag tussen € 56 en €129. Met een uitschieter naar € 5.000.

Hoog-laag en een gelijkmatige uitkering waren de meest gekozen varianten

De keuze voor een vaste uitkering en de hoog-laag variant scoorden veruit het hoogste. 50% koos voor hoog-laag, 44% kiest voor een gelijkmatige uitbetaling. Niet verwonderlijk dat de deelnemers deze keuzes ook als het minst risicovol beschouwden. Slechts een enkeling koos een eenmalig bedrag of de laag-hoog variant. Wellicht mede verklaard door het ontbreken van noodzaak vanwege het bovengemiddelde inkomen van de deelnemers, het aanwezige vermogen en de fiscale consequenties.

Het nieuwe vakgebied: de keuzebegeleider

De open norm keuzebegeleiding maakt ruimte voor een nieuw vakgebied, namelijk het vakgebied van de keuzebegeleider. De keuzebegeleider opereert op de grens tussen uitsluitend informeren en diepgaandere vormen van advies, waaronder, in the end, product advies. Uitsluitend product advies valt onder de vergunningplicht van de Wet op het financieel toezicht. De keuzebegeleider faciliteert het keuzeproces, maar laat de deelnemer kiezen.

Drie in het oog springende conclusies

  1. Hoe intensiever de keuzebegeleiding, hoe beter de deelnemers de impact van de keuze op hun toekomstige financiële situatie begrijpen. En daarmee maken deelnemers ook een meer bewuste keuze. Dat kwam ook tot uitdrukking in de hoge waardering voor het 1-op-1 gesprek.
  2. Deelnemers die een 1-op-1 gesprek hebben gehad, hebben een realistischere kijk op hun eigen kennis en beseffen beter wat ze niet weten.
  3. De behoefte aan keuzebegeleiding is groot. Alle onderzoekers waren onder de indruk van de grote animo om deel te nemen aan dit type veldonderzoek, dat relatief veel tijd vraagt van de deelnemer.

De resultaten uit dit veldonderzoek tonen eens te meer de relevantie van onderzoek naar de effectiviteit van verschillende vormen van keuzebegeleiding op de uiteindelijke pensioenkeuzes van mensen. Het is daarbij zeker aan te bevelen om ook andere doelgroepen te betrekken, zeker de doelgroepen met een lager inkomen en pensioenverwachting. Bij hen hebben keuzes relatief meer invloed op de financiële situatie.

De voorlopige leidraad keuzebegeleiding van de Autoriteit Financiële Markten roept pensioenuitvoerders op om doorlopend de door hun gekozen ambitie van keuzebegeleiding te monitoren en te verbeteren. Keuzebegeleiding begint echter bij het vaststellen van de ambitie en doelstellingen van de pensioenuitvoerder: wat wil de pensioenuitvoerder bereiken? We hopen dat we met onze onderzoeken een bijdrage hebben kunnen leveren aan dit vraagstuk voor pensioenuitvoerders.

Neem vandaag nog contact met ons op en ontdek hoe wij uw pensioenfonds kunnen bijstaan bij het bieden van waardevolle keuzebegeleiding die deelnemers in staat stelt om weloverwogen beslissingen te nemen en een solide financiële toekomst op te bouwen. Bereid uw deelnemers voor op een financieel gezond pensioen - neem contact met ons op via Erik Westerling of het contactformulier.

Bron: Pensioen Magazine

Auteurs: Jack Borremans & Minou van der Werf

¹De resultaten van het veldonderzoek zijn onlangs gepresenteerd aan de fondsen die hebben deelgenomen. Binnenkort komt het definitieve rapport beschikbaar en lichten de onderzoekers dat graag nader toe.

²M. de Baaij en I. van Zetten, Keuzebegeleiding: hoe dan? Van open norm naar praktische invulling, PM 2023/2.

³Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling, 29.760. Staatsblad 2005, 115.

⁴Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, 33.290. Staatsblad 2012, 328.

⁵Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioenen en maximering pensioengevend inkomen. 33 610. Staatsblad 2014 196.

⁶Wet temporisering verhoging AOW-leeftijd. 35.223. Staatsblad 2019, 246.

⁷Artikel 52 Pensioenwet. Op pensioenuitvoerders rust een adviesverplichting zodra een deelnemer kiest voor beleggingsvrijheid. Deze adviesverplichting is materieel identiek aan 4:23 Wet op het financieel toezicht.

⁸Wet verbeterde premieregeling. Staatsblad 2016, 248.

⁹Artikel 52a Pensioenwet. De pensioenuitvoerder moet ingeval er meerdere beleggingsprofielen in de uitkeringsfase een beleggingsprofiel opstellen op soortgelijke wijze als in de opbouwfase.

¹⁰Wet herziening bedrag ineens. Invoering staat nu gepland op 1 januari 2024.

¹¹Voorlopige leidraad keuzebegeleiding. Najaar 2022. ‘Voorlopig’ hangende de uitkomst van de parlementaire behandeling.

¹²De inventarisatiemodule haalt de informatie op uit de mijn overheid omgeving, de Belastingdienst en het Pensioenregister. Daarnaast kan er, optioneel, informatie worden opgehaald bij DUO en UWV.

¹³De pensioenkeuzemodule maakt gebruik van de uitgavecijfers van het Nibud.

Aanbevolen artikelen ⤵️

6/8/2022

Kröller Boom en Herenvest Corporate fuseren

Lees meer
11/15/2022

Herenvest Groep neemt belang in L&M Adviesgroep

Lees meer
11/20/2023

Eijgendaal & van Romondt gaat strategisch partnership aan met nieuwe aandeelhouder Söderberg & Partners

Lees meer
4/8/2022

Strategisch partnership tussen Proud Experts en Söderberg & Partners

Lees meer
5/31/2023

Keuzebegeleiding: hoe dan?

Lees meer
6/5/2023

Wat is Keuzebegeleiding? Een nieuwe verplichting richting deelnemers

Lees meer